
| Begeleiding bij Overspanning, Ziekte van Pfeiffer en Overtraining. |
| zondag, 29 maart 2009 17:56 |
Herstellen met de vinger aan de pols.Het komt helaas regelmatig voor dat mensen overbelast raken. Dat kan mentaal, maar ook fysiek zijn. In het volgende artikel leg ik uit hoe ik mensen begeleid, die lichamelijk- of geestelijk overbelast zijn. Ik leer ze systematisch naar hun lichaam luisteren. Dat gebeurt via het opnemen van de ochtend- of rustpols. De rustpols geeft exact aan hoe het lichaam is hersteld na de vorige dag en is daarmee een uniek instrument aan de hand waarvan gecontroleerd aan het herstel gewerkt kan worden. Stress breekt het lichaam afBij grote inspanning, zowel geestelijk als lichamelijk, wordt stresshormoon (cortisol en adrenaline) aangemaakt. Er ontstaat veel spanning bij een zware training, wedstrijd of een toernooi. Maar ook intensieve geestelijke arbeid, zoals tentamens, examens of een sterfgeval geven grote spanningen. Het maakt daarbij niet uit of het om lichamelijke- of geestelijke stress gaat. Stress zorgt tijdens die spanningen voor de aanmaak van stresshormoon. De stresshormoon zorgt op zijn beurt weer voor de aanmaak van veel afvalstoffen. Deze moeten na de training weer worden afgevoerd. Het lichaam reageert daarop door de hartslag te verhogen. Het bloed wordt sneller rondgepompt om het lichaam zo goed en zo snel mogelijk “door te spoelen”. We raken de afvalstoffen dan via urine en transpiratie kwijt. De rustpolsDe hartfrequentie die we hebben als we na het slapen wakker worden, het liefst nog voor we bewogen hebben, noemen we de rustpols. Normaal heeft iemand een rustpols die gemiddeld tussen de 50 en 65 slagen per minuut schommelt. Iets lager of hoger komt ook voor. De rustpols is per persoon verschillend. Als ‘s morgens na een periode van stress, de hoeveelheid afvalstoffen nog niet voldoende is afgevoerd, zal het lichaam een verhoogde hartfrequentie laten zien. Het lichaam is dan nog bezig met versneld rondpompen om alle afvalstoffen kwijt te raken. Herstel na de trainingStel, iemand heeft normaal een rustpols van circa 53 sl/min. Tijdens een training zal de hartslag enorm oplopen, soms zelfs tot maximale waarden, waarbij 225 slagen per minuut niet abnormaal behoeft te zijn. Bij een dergelijke, intensieve inspanning wordt de totale hoeveelheid bloed die iemand bezit, in één minuut, wel 8 of 9 keer door het hele lichaam gepompt. Direct na de training heeft iemand dan nog geruime tijd een hogere hartslag die, als men zich rustig houdt, geleidelijk naar de “normaalwaarde” zal terugkeren. De tijd die nodig is voor het bereiken van die normaalwaarde is afhankelijk van de intensiteit en duur van de afgelopen training, van de conditie van de sporter, van het type sporter, (sprinters herstellen trager dan duurgetrainde sporters), maar verschilt ook van mens tot mens. Leren wat je wel en wat je niet kanAls iemand teveel heeft gedaan, mentaal of fysiek, dan is mijn eerste stap: het leren opnemen en bijhouden van de rustpols. Daaraan koppel ik het bijhouden van een “trainingsdagboek”. Dat trainingsdagboek moet elke dag ingevuld worden en regelmatig toegestuurd worden. In het trainingsdagboek wordt de rustpols bijgehouden, het gevoel dat iemand daarbij heeft en alle stress momenten, fysiek en mentaal. Ik mail het trainingsdagboek later terug, voorzien van commentaar. Ik geef aan waarom een rustpols op een bepaald moment te hoog is, en hoe dat voorkomen had kunnen worden. De basis van deze methode is namelijk dat iemand leert wat wel en niet kan, wanneer het lichaam teveel heeft gedaan, en hoe daar mee om moet worden gegaan. Door een trainingsdagboek bij te houden zie je waar de schoen wringt. Je ziet dat je rustpols te hoog is na een bepaalde inspanning en je leert hoe je op bepaalde stress situaties reageert. Ik heb geen enkele invloed op de rustpols zelf. Iemand neemt die zelf op en ziet of zijn/haar lichaam een bepaalde inspanning te boven is gekomen. En elk lichaam reageert anders. Maar elk lichaam reageert met schommelingen van de rustpols op verhoogde stress. Ik toon dat aan en daarna geef ik aan wat wel en wat niet mag en vooral ook waarom iets verkeerd is. Maar ook moet iemand weten wat juist wel goed is en ook waarom dat zo is. Door bijvoorbeeld in plaats van intensief te gaan trainen rust te nemen, of een extensieve (rustige-) training te doen, krijgt het lichaam de kans om zich te herstellen. Uiteindelijke herstel kan soms heel lang duren. Dat komt omdat doorgaans het hormonale stelsel ontregeld is. Door regelmatige terugkoppeling van mij naar degene die mij het trainingsdagboek toegestuurd heeft, leert diegene zijn/haar lichaam kennen en voelt uiteindelijk zelf aan wat wel en niet kan. Het opnemen van de rustpols is later niet meer nodig. En in geval van twijfel blijft het een handige graadmeter. Rustige duurtraining als basis voor herstelDe ziekte van Pfeiffer komt ook veel bij sporters voor. Dat komt met name doordat sporters al hun energie er er vaak in één training uitgooien. Direct na de training is, het immuunsysteem tijdelijk “weggedrukt”en staat de deur open voor allerlei ziekten, zoals bijvoorbeeld virusinfecties als griep en Pfeiffer. In geval van Pfeiffer, (maar ook bij andere aandoeningen waardoor mensen snel overbelast zijn), is een zeer intensieve en nauwgezette begeleiding noodzakelijk. Sporters, waarbij Pfeiffer is geconstateerd, zware overspanning of overtraining, willen niet alles wat ze in jaren hebben opgebouwd, in één klap kwijtraken. Het is echter niet te voorkomen dat hun conditie door de ziekte een enorme deuk oploopt. Want in de eerste instantie mag beslist niet intensief getraind worden. Rustig (extensief) trainen is eerst de enige optie. Prestaties leveren is uitgesloten op dat moment. Zodra een intensieve actie wordt ingezet schiet de hartslag meestal direct naar de 180/190 slagen per minuut. Dat komt omdat de spierstofwisseling volledig verstoord is. Trainen met de vinger aan de pols.Als na verloop van tijd de rustpols lager wordt (en dat kan soms toch wel maanden duren), mag de intensieve training weer worden opgepakt. Maar wel “ met de vinger aan de pols”. De belangrijkste trainingseffecten, komen niet tot stand door de duur van een training, maar door de intensiteit van de training. Hoe hoger die intensiteit, hoe groter de trainingsprikkel is. Iemand die dus weer met intensieve trainingen mag beginnen, doet bijvoorbeeld eerst één keer, één pittige inspanning van 30 – 60 seconden. De gehele training moet op deze actie gericht zijn. Zo zal het voorprogramma bestaan uit een geleidelijke warming up, waarbij de hartslag steeds iets hoger moet komen te liggen. Tijdens de uiteindelijke inspanning zal de hartfrequentie fors omhoog gaan. Direct na de inspanning moet het aantal slagen per minuut doormiddel van een stopwatch en een hartslagmeter gecontroleerd worden. Er wordt gekeken of iemand binnen een minuut weer op 130 slagen zit. Is dat niet het geval, dan dient direct te worden gestopt met de intensieve training. Als de rustpols echter aangeeft dat het lichaam het aan kan, en zich dus wel binnen de minuut herstelt, mag nog één keer zo’n intensieve inspanning worden gedaan. Het is raadzaam om daarna te stoppen. Bij intensieve training: alleen de prikkelNa een passieve periode, in de beginfase van Pfeiffer, overspanning of overtraining, is de tijd aangebroken om weer gecontroleerd, aan intensievere trainingen te beginnen. Elke intensieve inspanning zal, na zo’n rustige herstelperiode, een trainingsprikkel geven. Door deze prikkel steeds te herhalen ontstaat een trainingseffect. Als de dag na de intensieve trainingen, rustige, (extensieve-) duurtraining wordt gedaan, zal de sporter sneller van de inspanning herstellen. Er kan dan ook weer sneller aan een volgende intensieve training worden begonnen. Ook dan weer, zal uitsluitend “ de prikkel” moeten worden gegeven en niet meer dan dat. Maar zo mogelijk wel een iets intensievere. Op deze manier kan men toch weer op niveau terugkomen en de stijgende lijn in het herstel vasthouden, of zelfs verbeteren na een lange periode van ziekte. |